An van Dienderen in de Knack, 2019

 

A Dog of Flanders: hoe Nello en Patrasche een nieuw leven kregen

􏰁

Uit Knack van 02/10/2019

Stijn Tormans

A Dog of Flanders is het beroemdste boek dat ooit over Vlaanderen geschreven is. Hollywood heeft het vijf keer verIlmd, de hele wereld kent het vanbuiten. Behalve Vlaanderen. één man heeft wel hard zijn best gedaan om dat te veranderen. Tot zijn leven zelf een stuk van het verhaal werd.

In het districtsakkoord van Hoboken (2019-2024) lees ik bij punt 3, ‘Toerisme is ook belangrijk’: ‘Nello en Patrasche verdienen blijvend alle aandacht. We onderzoeken de mogelijkheid om een molen te plaatsen ter ere van onze helden.’

De eerste keer dat ik vernam dat Nello en Patrasche bij elkaar hoorden, was zeven jaar geleden in het Covent Garden Hotel in Londen. Ik zou die woensdag Patti Smith interviewen. Zenuwachtig stapte ik haar hotelkamer binnen.

‘Uit welk deel van België kom je?’ vroeg ze.

‘Het noordelijke’, antwoordde ik.

Ze lachte en zei dat ze als kind A Dog of Flanders gelezen had. Daarna had ze in haar meisjesbed in Deptford Township vaak gefantaseerd over hoe dat land, aan de andere kant van de aardbol, eruitzag.

Geel van vacht, groot van kop en leden, met wolfachtige oren die rechtop stonden.

Ze was niet de enige in Amerika. In de bibliotheek van Detroit leende een man in 1934 A Dog of Flanders uit. Hij hield het altijd bij en het werd een gids in zijn bestaan. Na 76 jaar, op het einde van zijn leven, kreeg hij wroeging en bracht het boek terug naar de bibliotheek.

Smith zag mijn verbaasde blik.

‘Je hebt A Dog of Flanders toch gelezen?’ vroeg ze.

‘Of course’, loog ik en begon snel over iets anders.

Dat A Dog of Flanders het beroemdste boek is dat over Vlaanderen geschreven is, wist ik toen niet. Ook niet dat er 100.000.000 exemplaren van verkocht zijn en dat Hollywood het vijf keer verfilmde. Alleen in Vlaanderen is de novelle uit 1872 redelijk onbekend.

Iemand heeft zijn best gedaan om daar verandering in te brengen. Zo hard dat hij een personage werd in het boek. Of, juister, in het waargebeurde vervolg van honderdveertig jaar later .

Jan was een jonge dertiger toen hij begin jaren tachtig begon te werken aan de balie van de dienst Toerisme van de stad Antwerpen. Een droomjob was het, zegt hij. Toeristen uit alle windstreken kwamen bij hem over de vloer. Ze vroegen meestal naar een plattegrond van de stad. Sommigen informeerden naar het Museum voor Schone Kunsten, anderen naar dat van Plantin en Moretus. Jan wees hun de weg door de straten van zijn stad.

Op een dag zei een Japanner, in gebroken Engels: ‘Meneer, weet u waar A Dog of Flanders zich afspeelde?’

Jan werd stil. Hij dacht dat hij elke steen en elk dier van zijn stad kende, maar van die hond had hij nog nooit gehoord.

‘Bedoelt u de Leeuw van Vlaanderen?’ vroeg Jan en hij haalde een foto boven van het stadhuis, waarop een Brabantse leeuw stond.

De Japanner schudde het hoofd en gebaarde van ‘laat maar’.

Maar zo was Jan niet. Hij stapte naar de Erfgoedbibliotheek aan het Conscienceplein. In haar rekken zat een novelle met de titel A Dog of Flanders. Een verkruimeld exemplaar in donkerbruin hertenleer uit 1906, dat nog nooit ontleend was. ‘Being a story of friendship closer than brotherhood’, stond op de derde bladzijde. Jan bladerde voort en las het verhaal van Nello.

Een weesjongen die in een hut woonde aan de rand van Antwerpen. Elke dag vervoerde hij melk naar de stad, maar dat was niet zijn grootste talent. Hij kon tekenen als geen ander. Zijn grote voorbeeld was Rubens en hij droomde ervan om ooit De Kruisafneming en De Kruisoprichting te zien. Twee schilderijen die in de zijbeuken van de kathedraal verborgen waren achter een gordijn. Ze waren alleen bestemd voor de ogen van de rijken. Maar ooit ook voor die van hem, zwoer Nello.

In afwachting daarvan tekende hij Alois, de dochter van een rijke molenaar, ‘met haar zoete donkere ogen’. Haar vader zag de armoedzaaier niet zitten en verbood de liefde tussen hem en zijn dochter. Op een dag vloog zijn molen in brand. Nello kreeg de schuld en mocht geen melk meer ronddragen. Hij deed dan maar mee aan een tekenwedstrijd. Zijn laatste kans om naam te maken in de wereld, maar hij verloor.

Alleen zijn hond Patrasche bleef hem trouw in die zwarte dagen. Als Nello zou sterven, zou ook Patrasche doodgaan. Zo’n hond was het. ‘Geel van vacht, groot van kop en leden, met wolfachtige oren die rechtop stonden.’

En dan werd het kerstavond. Na de middernachtmis slopen Nello en Patrasche binnen in de kathedraal. In het licht van de maan zagen ze De Kruisafneming van Rubens. Daar op de vloer van de kathedraal stierven ze allebei van de honger, terwijl ze elkaar vasthielden. Zelfs ‘in de dood werden ze niet gescheiden’.

Jan klapte het boek dicht. Op de hertsleren cover, onder de titel , stond de naam van de auteur: Ouida, de nom de plume van Marie Louise de la Ramée.

Ook haar biografie was een verhaal zonder happy end, maar dat wist Jan toen nog niet. Ze was een van de beroemdste Londense schrijfsters van de negentiende eeuw. Door haar werk, maar ook door haar wulpse levensstijl. Ze maakte grote sier in het Langham-hotel aan Regent Street, waar ze woonde. Tussendoor schreef ze in haar kamer haar boeken, bij kaarslicht en met een ganzenveer.

In 1871 was ze haar wilde leven en Londen moe. Ze ging op retraite naar Brussel, waar ze een paar weken verbleef in het Hôtel de l’Europe aan het Koningsplein. Ze maakte ook een daguitstap naar Antwerpen. Onderweg kruiste ze karren die werden voortgetrokken door honden. In de kathedraal wilde ze Rubens zien, maar dat viel tegen. Zijn schilderijen waren verborgen achter een gordijn.

Thuis pakte ze haar ganzenveer en begon aan A Dog of Flanders te schrijven . Een aanklacht tegen het lelijke land dat zijn dieren mishandelde en zijn meesters niet eerde. Ze verzon veel, maar niet alles. ‘Wat zou Antwerpen zijn zonder Rubens? Een vuile, duistere, jachtige marktplaats, waar behalve de zakenlui die handel drijven aan haar kades, geen mens ooit een blik op zou werpen. Mét Rubens is het in de ganse wereld, waar er ook mensen wonen, een heilige naam, een heilige grond, een Bethlehem, waar een god der Kunsten het licht zag, een Golgota, waar een god der Kunsten ligt begraven.’

In de nacht van 25 januari 1908 stierf Ouida in Viareggio aan een longontsteking. Zonder geld en zonder vrienden. Alleen haar honden waakten die nacht aan haar doodsbed. Haar overlijden was groot nieuws in de wereld en haalde de voorpagina van The New York Times. Een Japanse diplomaat las het artikel en stuurde een exemplaar van A Dog of Flanders naar zijn thuisland.

Daar werd het vertaald en ontelbare keren herdrukt. In de jaren zeventig maakten de Japanners een animatiereeks van het boek. In de intro zat ook een Nederlandse zin: ‘Lailala, zingen kleine vlinders.’ Miljoenen Japanners keken elke zondagavond naar Flanders no Inu en de jaren erna bleven ze kijken naar de heruitzendingen en de remakes.

‘Het is niet verwonderlijk dat het in Japan aansloeg’, zegt filmmaakster An van Dienderen, die in 2007 met Didier Volckaert een documentaire maakte over A Dog of Flanders. ‘In de Japanse cultuur wordt falen vaak als iets edels ervaren. Vergelijk het met de kamikazepiloten in de Tweede Wereldoorlog. Sommigen moesten vertrekken zonder voldoende kerosine om hun doel te bereiken. Toch stegen ze op. Ze wisten dat ze gingen mislukken, maar het draaide voor hen om eer. Zo’n dood wordt in de Japanse traditie sterk gewaardeerd. Het zijn helden.’

Ook Nello en Patrasche werden dat. ‘Het verhaal van de Vlaamse jongen en zijn hond wordt in Japan van generatie op generatie doorverteld. Ouders willen hun kinderen duidelijk maken dat het leven soms ook slecht afloopt. In Amerika tonen ze dan weer vaak de succesversie. Al die Hollywoodfilms over Nello en Patrasche eindigen met een happy end: ze worden gered en Nello wint zelfs de tekenwedstrijd.’

Het verhaal van de Vlaamse jongen en zijn hond wordt in Japan van generatie op generatie doorverteld.

An van Dienderen interviewde destijds de maker van de Japanse animatiereeks. ‘In de jaren zeventig was hij op verkenning geweest in Vlaanderen, maar niemand hier kende A Dog of Flanders. Hij trok dan naar Nederland, waar hij met open armen ontvangen werd. Daar waren ook veel molens, zoals in het boek.’

In zijn animatiereeks leek Vlaanderen wel erg op Nederland. ‘Vlamingen zeiden direct verontwaardigd: “Dat zijn wij niet. Dat is ons land niet.” Maar net daarom is dat zo interessant. Want doen wij niet net hetzelfde met andere volkeren? Deze keer deden anderen het met ons, en dan pas merk je wat voor emoties dat losweekt. Dat kan net heel verrijkend zijn. We kunnen onszelf zien door het oog van de Japanners.’

Zoveel jaar later zit A Dog of Flanders nog altijd in het hoofd en hart van het land. Elke Japanner kent één zin Nederlands: ‘Lailala, zingen kleine vlinders’, al hebben ze na al die jaren geen flauw benul van wat die woorden betekenen.

‘Japanners zijn heel gereserveerd en zullen niet gauw hun emoties tonen’, zegt Jan. ‘Maar als ze Rubens zien in de kathedraal, huilen ze vaak. Niet omdat ze dat zo’n bijzonder schilderij vinden, wel omdat het voorkomt in Nello en Patrasche.’

‘Ooit stond ik voor De Kruisoprichting in de kathedraal’, zegt Van Dienderen. ‘Een gids gaf een lange kunsthistorische uitleg over waarom dat schilderij zo waardevol is. Een Japanse tolk vertaalde dat voor de Japanse toeristen, maar die vertaling was heel wat korter. “Wat heeft hij nu gezegd?” vroeg ik hun. “Dit is de plaats waar Nello en Patrasche stierven”, antwoordden ze.’

‘Op den duur kreeg ik ook Japanse cameraploegen over de vloer’, zegt Jan. ‘Het werd een deel van mijn job om hen te begeleiden. Zelfs ’s nachts wilden ze filmen in de kathedraal, om te zien op welk schilderij van Rubens het maanlicht zou vallen. “En waar is het dorp van Nello en waar zijn lemen hut?” vroegen ze dan. Ik legde hun uit dat Vlaanderen intussen helemaal veranderd was. Maar ze gaven niet op. Uiteindelijk belandden we altijd weer in Bokrijk, met zijn lemen hutten en zijn molens. Dat was het Vlaanderen dat ze wilden zien, zoals in Nello en Patrasche.’

En toch. Die ene vraag van de Japanners, waar Nello’s dorp nu was, bleef door Jans hoofd malen. ‘Ik las A Dog of Flanders opnieuw. Ouida vermeldde geen naam in het boek, maar schreef wel: “Hun huis was een kleine hut aan de rand van een klein dorp – een Vlaams dorp op een vijftal kilometer van Antwerpen, gelegen te midden van vlakke stroken weiland en graanvelden, waar een breed kanaal door stroomde.”‘

Er liggen verschillende dorpen op vijf kilometer afstand van Antwerpen, zegt Jan. ‘Het kon ’t Kiel of Kruibeke zijn, misschien wel Aartselaar.’ Samen met twee andere mensen bekeek hij oude kaarten en foto’s uit de negentiende eeuw. Op die van Hoboken stond een rode molen, zoals in het verhaal beschreven werd. ‘Vandaag is Hoboken een postindustriële voorstad, maar toen was het nog een echt dorp met graanvelden.’

Alleen ligt Hoboken niet aan een kanaal maar aan de Schelde. Misschien had Ouida zich van waterloop vergist of het allemaal uit haar ganzenveer gezogen. ‘Niemand zal het ooit weten.’

Na de ‘ontdekking’ van Jan adopteerde Hoboken de twee fictiehelden. In 1985 kwam er een standbeeld aan de Kapelstraat en de Japanners trokken te voet of met de tram naar het district. Ook daar regeerde de middenstand het land. Ze brachten Nello en Patrasche-paté op de markt, een Nello en Patrasche-kipschotel, Nello’s Blond en Patrasche Dubbel.

Vijf kilometer verderop, in Antwerpen-stad, bleef het stil. ‘De toenmalige schepen van Cultuur, Philip Heylen (CD&V), wilde niets weten van het verhaal’, zegt Van Dienderen. ‘Hij vond dat Antwerpen gepromoot moest worden met mode en diamant, want dat was trendy en modern. Niet met het oubollige Nello en Patrasche. Dat verwees naar het arme Vlaanderen waar ze absoluut niet mee geassocieerd willen worden.’

Maar Vlaanderen is niet alleen wat wij erover zeggen, vindt Van Dienderen. ‘Het is ook wat anderen erover zeggen. Het beeld dat Ouida van Vlaanderen schetst, is nog altijd relevant. Ze omschrijft het als een regio die vooral met zichzelf bezig is en leverde met haar boek zelf het bewijs: het is heel de wereld rondgegaan, alleen wij kennen het niet.’

Ouida schrijft ook dat we onze meesters niet herkennen en eren. ‘Ook dat klopt nog altijd: kijk maar naar de subsidierondes. Zo veel kunstenaars kregen een positief rapport, maar slechts een minderheid krijgt subsidies.’

In 2003 besliste het Antwerpse stadsbestuur dan toch om een horizontaal kunstwerk aan te leggen voor Nello en Patrasche, op verzoek van de Japanse ereconsul.

‘Een gedenksteen voor onze helden’ noemden ze het, alsof de twee ook echt bestaan hadden. Ze vroegen aan Jan of hij geen Japanner kende om een paar Japanse tekens in een blauwsteen voor de kathedraal te kerven. ‘Alleen Kazuyoshi Oshima kon dat doen’, zegt Jan. ‘Ik noem hem weleens mijn Japanse broer. Hij is zelf een halve wees en maakte een grote Nello enPatrasche-website. Hij is zelfs christen geworden door A Dog of Flanders. ‘

Oshima zette een hoop Japanse tekens achter elkaar.

Jan weet wat die tekens betekenen, heel goed zelfs. Misschien té goed. De moraal van dit verhaal is dat zelfs op de bodem van het verdriet hoop en vriendschap te vinden is. Die moraal moet gekoesterd worden en doorgegeven aan de volgende generaties.

Een paar jaar eerder. Een Japans meisje van 28 wandelt de dienst Toerisme binnen. Ze informeert bij Jan naar Nello en Patrasche. Zoals tienduizenden voor haar, maar zij is anders. Ze heeft zoete donkere ogen. Haar gezicht kwam net uit een Japanse houtsnede, zo mooi was ze, zou Jan later zeggen.

Jan en het meisje met de zoete ogen wisselen adressen uit. Wanneer hij in Japan is, spreken ze opnieuw af. Fools in love zijn ze, in het land van de rijzende zon. Niet lang daarna trouwen ze. Jans schoonouders wijden hem in de rituelen van hun land in. Hij leert thee drinken zoals de Japanners en slapen zoals de Japanners, op de tatami.

Wanneer ze in Antwerpen zijn, laat hij hun de wereld van Nello en Patrasche zien. En de rest van zijn stad, waar hun dochter intussen werkt als poetshulp. ‘We hebben heel gelukkige jaren gehad’, zegt Jan.

Maar niets blijft duren, die wijsheid stond al in A Dog of Flanders. ‘Zij wilde uit de Japanse cultuur stappen en ook westers worden. Ik wilde erin stappen.’

Op een dag ziet Jan zijn vrouw in de stad kussen met iemand anders. Ze hebben al langer een affaire. ‘Ik heb toen veel te lang mijn emoties opgekropt’, zegt Jan. ‘Altijd opnieuw dacht ik dat het wel weer goed zou komen, want we zagen elkaar toch zo graag.’

Tot op 23 januari 2008 alles ontploft. Toevallig honderd jaar na de dood van Ouida, op twee dagen na, is ook het meisje met de zoete ogen er niet meer. Die woensdag gaat de ooit rijzende zon in het leven van Jan voorgoed onder, of zo lijkt het toch.

Twee jaar later, op het assisenproces, zegt zijn advocaat Jef Vermassen: ‘Al die messteken met zijn keukenmes. Het was overkill. Iemand die voorbedacht steekt, doet dat één of twee keer. Overkill is nooit voorbedacht.’

Na Vermassen komt een stoet mensen getuigen. Allemaal zeggen ze dat Jan een fantastisch man is. ‘Ik meen wat ik daar gezegd heb’, zegt An van Dienderen. ‘Jan is een van de meest zachtmoedige en genereuze mensen die ik ooit ontmoet heb, altijd bereid om te helpen. Alleen zijn zijn stoppen die 23e januari doorgeslagen. Het kan ons allemaal overkomen, vrees ik.’

‘Ze zeggen dat in elke mens een moordenaar zit’, zegt Jan. ‘Nu weet ik dat dat zo is. Ik was een dier, die dag, herkende mezelf niet. Dat was ik niet. Nog nooit in mijn leven had ik gevochten.’

De assisenjury veroordeelt Jan tot een lange celstraf. Hij maakt een Japanse buiging naar de jury en zegt: ‘Ik zal de straf uitzitten die ik verdien.’

De volgende dag ontwaakt Jan in de gevangenis van de Begijnenstraat. Die ziet er heel anders uit dan de kathedraal of de balie van de dienst Toerisme. ‘Ik moest opnieuw zin geven aan mijn leven, anders werd ik zot.’ Jan gaat werken in de keuken en de bibliotheek. ‘Ze hadden er geen exemplaar van A Dog of Flanders’, zegt hij.

Later wast hij ook de kleren van zijn medegedetineerden en haalt hij hun tv op als ze hun abonnement niet betaald hebben. ‘De bewakers wilden dat niet meer doen, want ze gaven die niet zonder slag of stoot af. Er zat soms drugs of een gsm in. Ze noemden me Janneke Ambras.’

Terug in zijn cel kijkt Jan door het raam vaak naar de hemel. Net zoals Nello zoekt hij naar de kathedraalspits die ‘rijzig tegen de bloedrode avondlucht afsteekt’. De toren die altijd een baken was in zijn leven, maakt hem nu verschrikkelijk droef. En elke keer denkt hij aan de woorden die zijn Japanse vriend in die blauwsteen had laten kerven. De moraal van dit verhaal is dat zelfs op de bodem van het verdriet hoop en vriendschap te vinden is.

‘Zo is het ook bij mij gegaan’, zegt Jan. ‘Mijn vrienden en familie kwamen me elke dag bezoeken. Zelfs de bisschop is langsgeweest, dat heeft me veel plezier gedaan.’

Hij heeft maar tien mensen op zijn bezoekerslijst mogen zetten. Uiteindelijk komt er ook een elfde: iemand die hij vaak gekruist heeft in de kathedraal en op de dienst Toerisme. Ze kenden elkaar niet goed, maar leren elkaar kennen en liefhebben in de gevangenis.

Die dag zingen kleine vlinders weer lailala. Al denkt Jan nog elk etmaal aan die vervloekte 23e januari 2008. De woensdag die hij zo vaak opnieuw heeft willen leven. ‘Maar ik kan de klok niet terugdraaien. Altijd zal ik een rugzak vol spijt met me meedragen.’

Na jaren cel komt Jan vervroegd vrij. Hij doet nu samen met zijn nieuwe liefde vrijwilligerswerk. Samen zijn ze elke dag in de weer voor de armen van Antwerpen, de Nello’s en Patrasches van 2019.

Ze koken, halen de niet-verkochte broden op in de supermarkt en rijden met een bakfiets door de stad. Om soep uit te delen aan de mageren. Ze krijgen ook een sandwich met kaas en een centwafel. ‘Ik kruis die mensen ook tijdens andere momenten in de stad’, zegt Jan. ‘De vriendschap die je van hen krijgt, is onbetaalbaar. Natuurlijk zitten er ook mensen tussen die in de war zijn. Sommigen zijn agressief omdat ze aan de drugs of de drank zitten. Als ik zulke mensen vroeger tegenkwam, ging ik snel lopen. Maar sinds mijn gevangenisjaren niet meer. Ik kijk hen nu recht in de ogen.’

Mijn vrienden en familie kwamen me elke dag bezoeken. Zelfs de bisschop is langsgeweest, dat heeft me veel plezier gedaan.

Hij vertelt hun niet het verhaal dat zijn leven werd – ze zouden toch niet luisteren – maar wel over die Japanse tekens van verdriet en hoop.

‘Ik was bang dat ik na mijn vrijlating nooit meer in de kathedraal zou mogen komen’, zegt Jan. ‘Dat zou de ergste straf geweest zijn die ik me kon indenken.’ Maar ook daar mocht hij terug binnenwandelen. ‘De eerste keer was het nog onwennig. Voor de medewerkers, maar ook voor mij.’

Alles went op den duur. Hij gaat nu soms naar de vespers in de kathedraal. Of kijken naar De Kruisoprichting in de zijbeuk, zoals Nello en Patrasche. Onderaan het tafereel tekende de God der kunsten een trouwe hond – een detail dat geen enkele evangelist in de gaten had. Sommige honden sterven nooit.

Toch is er iets veranderd. Die blauwesteen voor de kathedraal ligt er niet meer. Tijdens Jans gevangenisjaren keek de stad er niet naar om. Honden plasten ertegen, vrachtwagens reden erover.

Uiteindelijk besliste het stadsbestuur om de steen weg te halen. Ze schreven een wedstrijd uit voor een nieuw Nello enPatrasche-standbeeld en lieten die, een beetje knullig, sponsoren door de oude Japanse erfvijand China.

Op 11 december 2016 werd een wit marmeren beeld van de Gentse kunstenaar Batist Vermeulen ingehuldigd: Nello en Patrasche die slapen onder een deken van steen. ‘Het is best schattig’, zegt Jan. ‘Alleen vind ik het verschrikkelijk dat die Japanse tekens van Kazuyoshi verdwenen zijn. Niemand had hem gewaarschuwd, ik heb het hem moeten zeggen. Dat was een harde slag. Zijn droom was kapot.’

Hij en Kazuyoshi hebben nog altijd contact, zegt hij. ‘Vorige week hebben we nog gebeld.’ Hij maakte zich zorgen, want de tyfoon Faxai beukte in op Japan. Maar alles was oké, zei Kazuyoshi. Niet zoals die keer toen hij hoorde dat zijn woorden over hoop kapotgeslagen waren in Antwerpen.

Ook met de rest van Japan heeft Jan nog contact. ‘Mijn schoonfamilie hoor ik nog vaak. Haar moeder en ik schrijven elkaar nog elke maand een lange brief.’

Op dat moment wandelt de vriendin van Jan binnen. Ze heeft net een groep mensen door de stad en de kathedraal rondgeleid. Ze begint er nooit zelf over, zegt ze, maar altijd vraagt er wel iemand: ‘Mevrouw, dat witte standbeeld aan de ingang, wat betekent dat?’ Dan vertelt ze een story over vriendschap. Eén die niet van 1872 is, maar van alle tijden.

Ik wandel voort door de stad, naar de Schelde. Aan de andere oever, in de bocht van de Schelde, staat een windkorenmolen. Een beschermd monument uit 1775. Het is het oudste gebouw op ’t strand van Sint-Anneke en ook het mooiste. Poëzie op de Plage.

Alles wat waarde heeft, is dezer dagen bedreigd in de Scheldestad. Dus moet ook die molen wellicht weg. Zoals altijd doet er een petitie de ronde om hem te houden. En zoals altijd zal dat weer niets uithalen, want op dat vlak is Antwerpen niets veranderd sinds de doortocht van Ouida. Het is nog altijd ‘een vuile, donkere jachtplek van het geld’.

De havenschepen, Annick De Ridder (N-VA), is bezig met een nieuw plan voor ’t strand van Sint-Anneke. De gladde woorden zijn al klaar. Ze wil er een ‘hotspot’ van maken, een ‘recreatieve trekpleister’ en alles moet weer ‘ns trendy worden. Zoals ook in punt 3 van het districtsakkoord van Hoboken staat: ‘We zijn een welvarend district. Toerisme is ook belangrijk.’

Ik kijk terug naar het water, naar het andere uiteinde van de stad. In Hoboken staat al lang geen molen meer. Straks gaat er pardoes iemand op een idee komen. Soms is het nieuws belachelijk voorspelbaar. Zonder happy end.